dinsdag 28 juni 2011

Hints

Ik zit op een terras. Mojito erbij, zonnebril op, haar opgestoken, stijl doordacht nonchalant. Ik denk terug aan het strand gisteravond, waar we met zijn vijven belandden na een zonovergoten dag die het motto ‘lang leve global warming’ eer aan deed. Vijf vrouwen, een windscherm, een parasol, een koelbox, uitpuilende strandtassen met reservebikini’s, reserveslippers, reservehoedjes en, je weet het nooit, een reservepeddel. Op een tsunami voorbereid, zal ik maar zeggen. We sleepten onze spullen zwoegend en zuchtend in de richting van een groepje niet onaantrekkelijke mannen. Eerst bekeken ze ons geploeter vanuit hun ooghoeken, zogenaamd in beslag genomen door het interessante gesprek dat ze voerden. Toen we de koelbox niet van het slot kregen, gingen ze er iets beter voor liggen en toen we in de scheerlijnen van het windscherm verstrikt raakten, begonnen ze nog net geen kaartjes te verkopen. Wij waren natuurlijk onverstoorbaar, want we knipten de scheerlijnen gewoon door en deden daarna alsof het heel veel voordelen had om het windscherm plat te leggen. Tegen wind van onderen of zo. Toen we eenmaal zaten ging Carien uitdagend staan en riep hardop ‘wie wil mijn rug even insmeren?’. We gaven de mannen drie seconden, tien seconden, vijftien seconden. Niets. Ik smeerde de beteuterde Carien met gedeukt ego dan maar zelf in. Even later kwam ik een van de mannen aan de bar tegen. Ik besloot het erop te wagen.

“Waarom hielpen jullie niet even?”
“Waarmee???”
“Met het windscherm bijvoorbeeld!”
Hij schudde geamuseerd zijn hoofd.
“Of met insmeren.”
Hij lachte: “hadden jullie dat gewild dan?”

Ik probeerde een gefrustreerde toon te onderdrukken en legde uit “als een vrouw een kwartier lang naar een windscherm of een fles zonnebrandcrème kijkt, doet ze dat niet omdat ze denkt dat het ding dan ineens tot leven komt.”

Het werd het begin van een uitgebreid college ‘de vrouwelijke manier van hulp vragen’. Nu, aan mijn mojito op het terras, glimlach ik bij de herinnering aan wat de avond verder nog bracht. Mijn iPhone piept en ik kijk tevreden naar de sms die verschijnt. Hij wordt al een stuk beter in het begrijpen van hints.


zondag 19 juni 2011

Waarom niet?

Hij vraagt of hij me mag zoenen. Waarschijnlijk wil hij wel meer, maar hij vraagt op dit moment alleen om het zoenen. We staan in de kroeg, hij is charmant. Hij is ook een vrijbuiter, ongeschikt voor een vaste relatie. Zo beweert hij zelf. Vroeger dacht ik nog wel eens dat een man zoiets beweerde naar aanleiding van eerdere, zeer claimerige, geliefden. Natuurlijk zou dat veranderen nu hij mij had leren kennen. Dat denk ik tegenwoordig niet meer. Als een man zegt dat hij ongeschikt is voor een vaste relatie, dan heeft hij waarschijnlijk gelijk. Zelfs als hij over andere dingen zelden gelijk heeft. Als hij bijvoorbeeld beweert dat mannen beter autorijden dan vrouwen.

Ik schud mijn hoofd en hij excuseert zich. Niet voor zijn opvatting uiteraard; voor het feit dat hij even naar het toilet moet. Ik haal mijn iPhone tevoorschijn, maar die houdt zich rustig. Als ik op kijk, vang ik de nieuwsgierige blik van de dame naast me aan de bar.


- “Je vindt hem leuk. Ga je hem zoenen?” vraagt ze direct.
- “Je bent al de tweede die dat vraagt vanavond,” kaats ik lachend terug.
- “Ja, hij vindt jou ook leuk. Dus: waarom niet?” Het is meer een advies dan een vraag.
- “Tja, waarom niet?” mijmer ik... Ik heb er geen antwoord op. Maar toch mist er iets. En ineens weet ik het. “Weet je wat het is? Er is geen waarom-niet. Absoluut niet. Maar er is ook geen waarom-wel.”


De dame kijkt me verbluft aan. Deze benadering is duidelijk nieuw voor haar en ze is er meteen fel op tegen; misschien moet zíj hem zoenen als hij zo terug komt. Ik sla deze ronde in elk geval even over en heb het prettige vermoeden dat ik daar heel weinig aan ga missen. Op weg naar huis met de wind in mijn haren weet ik het zeker: niks mis met een beetje waarom-wellen op zijn tijd.

maandag 13 juni 2011

Bitch

“Hoeveel kinderen heb jij?” vraagt het Chanel-mantelpak naast me op een tweedaags juridisch congres. Ik trek mijn wenkbrouwen op. Het mantelpak is niet dom en erkent haar fout. “Oh, sorry, je ziet er zó moe uit en ik hoorde dat je je collega’s naar de hotelbar probeert te lokken. Dat doen toch alleen de verlopen moeders die weer eens wat vertier willen?” Ze negeert mijn verblufte blik “Ja, of de singles uiteraard, voor wie de trieste gala’s der kanslozen een natuurlijke leefomgeving zijn geworden.” Ik draai me om zonder iets te zeggen. Ik ben inderdaad moe; na een dag vol saaie voordrachten met een dag vol nog saaiere speeches te gaan, moet mijn batterij dringend aan de oplader. Een klein feestje met collega’s wordt mijn stopcontact vanavond.


Streep door de rekening: Leo en Anja besluiten beiden naar huis te rijden om de kinderen nog even te zien, Martin gaat zijn nieuwe vlam verrassen en Jeanette wil eindelijk eens bijslapen. Dus zit ik om acht uur op mijn hotelkamer. Alleen. Ik durf niet naar de hotelbar uit angst het Chanel-mantelpak tegen te komen en spontaan te scalperen. Voor het eerst in tijden vliegt het me aan. Ik wil ook weg, maar waarheen? Naar dat lege, koude, donkere thuis waar nooit iemand vraagt hoe mijn dag was? Naar die koelkast die zich nooit vult met onverwachte aankopen? Naar dat bed dat nooit door een vertrouwd lijf wordt voorverwarmd? Stomme Chanel-bitch. Ze ontgroent mijn gras, terwijl ik niet eens een tuin heb.


Ik bel Carien en ratel, zachtjes huilend, dat ik ook spontaan naar mijn geliefde wil rijden, dat ik hopeloos verlang naar een arm om me heen, dat ik het helemaal zat ben. Carien is lief. Ze troost me. Ze snapt me. Ze doet geen loze beloften over de man die ik heus een keer ga tegenkomen. En ze geeft me een gouden tip: tijdens het dieptepunt van de huilbui in de spiegel kijken. Slappe lach gegarandeerd. Ik hang grinnikend op, bestel bij roomservice een halve liter Ben&Jerry’s en laat het bad vollopen. Fuck de Chanel-bitch, ik heb Carien.  

zondag 5 juni 2011

Google adventures

Ik was op een Hemelvaartfestival en speelde ‘kijken of jij kijkt en dan snel wegkijken’ met een woest aantrekkelijke man. Na een uur werden we beiden brutaler. Als ik met een mojito in de zon sta in mijn favoriete ‘watch-me-I’m-hot’ jurkje, dan is ‘durfal’ ineens mijn tweede naam. Meestal intimideert dat mannen, maar deze bleek al snel van plan me juist uit te dagen. Ongegeneerd zette hij zijn zonnebril af voor een ouderwetse knipoog op weg naar de bar. Alwaar hij bier haalde. En cola. Voor twee kinderen; gescheiden blijkbaar. Een kwartier later stond hij naast me en stelde zich voor. Dat hij ook zijn dochter terloops introduceerde, leek me een extra goed teken. En toen hij met de kinderen huiswaarts ging, kwam hij gedag zeggen. Nóg een goed teken, leek me, ook al vroeg hij niet om mijn nummer. Hij zou me beslist googelen morgen, misschien vannacht nog.

Inmiddels zijn drie dagen voorbij. Geen mail. Terwijl ik weet dat ik goed vindbaar ben; ik heb net mezelf gegoogeld. En daarna hem. Stuk lastiger. Geen LinkedIn, geen Facebook, geen Hyves. Aha, wel een tennisvereniging met een lijst bardiensten. Hij staat erbij, voor 5 juni. Het moet blijkbaar zo zijn: hij draait vandaag bardienst en het nummer van het clubhuis staat erbij. Ik bel meteen en vraag naar Marcel: ‘Ach, die moest even weg, bel hem mobiel, joh, heb je dat nummer?’ 1-0.

- “Met Marcel”
- “Hoi Marcel, met Frederique van het Hemelvaartfestival.”
- “Eh, wie? Oh, eh... hoi... Eh..., hoe is het?”
- “Goed, dankje. En met jou?”
- “Ja, eh..., eh..., hoe is het???” Mmm, dat gaat niet helemaal soepel.
- “Nou, prima, dankje. En jij?
- “Eh, ja, eh..., hoe kom je aan mijn nummer???” Ai, helemaal niet soepel.
- “Ja, dat is een gek verhaal. Ik hoop dat je het niet erg vindt, maar ik heb je gegoogeld en vond jouw naam op de bardienstlijst van je tennisclub. En daar gaven ze me je nummer.
- “Oh..., en... eh... hoe is het?” Marcel functioneert overduidelijk niet meer. Ik begin spijt te krijgen van mijn telefoontje.

En dan hoor ik ineens een andere mannenstem luid en duidelijk in mijn oor: "Frederique, sorry, hoor, Marcel zit met collega’s in de auto en je staat op de speaker. Daardoor is hij een beetje ongemakkelijk. Maar wij vinden het wel superstoer dat je dit doet, zeg! Echt top!”

Als ik daarna bedremmeld Carien bel, vind ze Marcel een eikel en een sukkel. Om vervolgens grinnikend te constateren dat die collega van hem wél heel leuk klonk: “maar daar heb je zeker geen nummer van, Freek, hè? Of kun je die ook even googelen?” Grapjas, ik ben wel even klaar met Google adventures.