woensdag 14 september 2011

Normen en waarde

Ik pas op mijn buurjongetje Pepijn. Hij is niet letterlijk mijn buurjongetje, maar woont om de hoek en ik vond hem een jaar geleden in de supermarkt. Pepijn was er erg relaxed onder, zijn ouders niet. Die waren me eeuwig dankbaar. Bossen-bloemen-en-dozen-chocolaatjes-dankbaar. Twee-kilo-in-één-week-erbij-dankbaar. En ze meenden dat Pepijn en ik een speciale band hadden sinds onze bijzondere kennismaking.

Ik wilde destijds een lege fles cola-zero inleveren en struikelde bijna over een jongetje dat met een boek en een doos negerzoenen in de flessenmachine wilde kruipen. Toen ik hem uitlegde dat dat mooie vierkante gat in de flessenmachine niet voor jongetjes maar voor lege kratten is, besloot hij dat wij zouden wachten tot er iemand zo’n krat terug kwam brengen. Hij scheurde een kleurplaat uit zijn Donald Duck vakantieboek en gaf dat aan mij. Dat het lastig kleuren zou worden zonder kleurpotloden was blijkbaar mijn probleem. Zo zaten we een tijdje samen tot er na een kwartier iemand twee kratten kwam inleveren. Hij keek gefascineerd toe en ik begon ik me te realiseren dat zijn ouders niet ergens in de supermarkt rondliepen.

Sindsdien pas ik wel eens op mijn vijfjarige vriendje, maar nu is het de eerste keer dat hij komt logeren en gelukkig poetst hij zonder protest zijn tanden, doet zijn pyama aan en slaapt al halverwege het voorleesverhaal. Als ik ’s morgens wakker word en mijn ogen open doe, zie ik dat Pepijn rechtop naar me zit te staren.

“Hé lekker ding, al wakker?” vraag ik.
Hij kijkt ernstig en knikt.
“Alles goed, lieverd?” vraag ik en ben voorbereid op een grote huilbui in het genre ‘waar zijn papa en mama? Ik wil papa en mama. Ik wil papa en mama NU.’
Maar Pepijn heeft van gemis weinig last. Blijkbaar wel van dwarzittende levensvragen.
Hij wijst op de lege helft van het bed en vraagt: “wie slaapt hier normaal?”
“Niemand,” zeg ik.
Hij is stil. Ik ben even bang dat ik een knuffel krijg vol medelijden en het niet droog hou. Maar dan breekt een duidelijk bewonderende blik door.
“Vet” zucht hij stralend.
“Ja,” zeg ik vrolijk, “supervet.”

dinsdag 6 september 2011

Geboortekanaalbehandeling

In mijn brievenbus ligt een geboortekaartje. Dat herken ik natuurlijk meteen: een mooi wit vierkant envelopje met een schattige ooievaarspostzegel. Geen ontkennen aan. Er is weer een baby bij. Raar eigenlijk dat we daar een apart woord voor hebben: baby. Blijkbaar vinden we de kleine varianten van mensen en dieren zo aandoenlijk dat we er aparte woorden voor nodig hebben. Geen paardje, maar een veulen. Geen katje, maar een kitten. Geen varkentje, maar een big. Zou dat zijn om in één woord te kunnen zeggen dat het pasgeboren is in plaats van klein uitgevallen? Ik ga voortaan mijn nieuwe aanwinsten ook anders noemen: “kijk, dit is mijn kramst!” “Je wat?” “Mijn kramst, mijn pasgekochte kruk.”
 

Meestal is het verschil tussen klein uitgevallen en pasgeboren toch best zichtbaar. Bij dieren ook, en zeker bij mensen. Maar daar hebben we zelfs een heel scala aan varianten voor ‘mensje’: kind, peuter, kleuter, puber, baby. Niet klein uitgevallen, maar gewoon nog relatief nieuw. Sterker nog: babies zijn nooit klein uitgevallen, maar zitten altijd boven in de groeicurve. Of ze zijn heel intelligent uitgevallen. Of heel sterk. Of heel mooi. Iets uitzonderlijk positiefs in elk geval. Dat oostindisch ontregelde beoordelingsvermogen is een gouden greep van de natuur. Hoewel een geboortekanaal-behandeling veel mensjes feitelijk bekeken niet bepaald ten goede komt, zien de ouders daar niets van. Die merken niet eens dat hun nieuwe aanwinst gekreukt, gerimpeld, communicatief zwak en motorisch gehandicapt uitgevallen is. Die sturen een blij geboortekaartje.
 

Dus daar ligt er weer een. Een beetje verbaasd ben ik wel; ik was me er niet van bewust dat er weer iemand op knappen stond in mijn omgeving. Ik maak de envelop open en moet bijna wegduiken voor de vrolijke vlinders en lieveheersbeestjes die eraf spatten. Het is een meisje. Belle. En bij de gelukkige ouders staat de naam van mijn ex.