maandag 28 november 2011

Not alone

“Hallo allemaal, ik ben Evelien”, zegt de adembenemende vrouw op het podium. Lange blonde lokken, een eindeloos lang paar benen gehuld in een doorleefde leren broek, een contrasterend lieftallig bloesje daarboven en een glimlach die zelfs Cruijff en Van Gaal bij elkaar zou kunnen brengen.

Ik heb Carien meegenomen naar de open-mic avond bij ‘t Oude Pothuys. De prachtige werfkelder aan de Oudegracht heeft elke maandagavond open podium voor singer-songwriters. Ik verheugde me de hele middag op mooie mannen, warme stemmen en heerlijke liefdesliedjes. Wegdromen en een beetje flirten; dat zou het recept van vanavond zijn. Maar nu staat daar deze Evelien. Alle mannen om ons heen zijn strak op het podium gericht. “Kutwijf,” mompelt Carien. Ik knik.

“Het eerste nummer heet ‘You nor me’,” zegt Evelien terwijl ze haar gitaar aanslaat. “Ik heb het geschreven toen ik net was gedumpt en nog heel boos was op mijn ex. Tired of being broken hearted, tired of being broken, tired of being. Je weet wel.” Ik bestel twee bokbiertjes terwijl ik me afvraag welke man zo’n vrouw verlaat die ook nog zulke liedjes schrijft en ze zo zingt.

“Het tweede en helaas laatste nummer heet ‘Not alone’,” zegt Evelien als het applaus is bedaard. “Toen de boosheid over was en ik inzag dat ook mijn ex niks anders wilde dan gewoon gelukkig zijn, schreef ik dit voor de dappere vrouwen én mannen die blijven hopen, blijven geloven, soms tegen alle statistieken in. Langzaamaan wordt hun leven een interessante real life soap met onwerkelijke cliffhangers en ziekelijk nieuwsgierige vrienden die altijd willen weten of er nog iets gebeurd is. Hang in there guys, you are not alone.”

Carien kijkt me aan en slaat een arm om me heen. “Wat een tof wijf, hè?” zegt ze. Ik knik. Zodadelijk bestel ik drie bokbiertjes.



maandag 21 november 2011

Wippen

“Ga nou naar hem toe, muts,” zegt Carien. 

We staan een biertje te drinken in de Heineken Music Hall. Straks gaat Milow beginnen en Carien en ik neuriën al de hele middag het karakteristieke begin van zijn laatste hit. Mmmm, mmmm. Mmmm, mmmm.

Al sinds aankomst valt ons de goddelijke man op die de boel lijkt te coördineren. Goeie kop, hagelwit gebit, lang en mooi gebouwd. Zijn pak zit als gegoten, zijn overhemd laat een glimp van zijn fijne borstkas vrij. Om zijn pols draagt hij een bewerkte leren band. Hij heeft een oortje in en loopt energiek rond tussen de binnenstromende mensen. Hij schakelt snel met bewakers, kaartcontroleurs en licht- en geluidcrew. Hij maakt een efficiënte en ontspannen indruk; we zien hem veel lachen.

“Wat let je?” vraagt Carien.
“Hij is druk,” zeg ik.
“Dan vraag je toch of hij na afloop een drankje wil drinken?”
“Dan is hij vast ook druk.”
“Dus je durft niet,” daagt Carien me uit.
Ik denk even na. Ik durf inderdaad niet.
“Weet je wat het is,” zeg ik hardop peinzend, “deze man is out-of-my-league.”
“Pardon?” zegt Carien.
“Nou, buiten m...” wil ik uitleggen.
“Ja, ik hoor je wel, maar ik snap je niet.”
“Negens bij negens, zesjes bij zesjes. Er zijn leagues. Het is net als een wip: er moet een beetje balans zijn, anders komt het niet van de grond. En hij zit minstens één league te hoog.”

Ze kijkt me wezenloos aan.

“Jij weet dat niet, Carien, want a. jij zit in de hoogste league en b. je bent soms net een vent. Kerels zien geen leagues. Dat blijkt uit onderzoek. Ze willen altijd het mooiste meisje uit de reeks. Ook de wanstaltigste exemplaren willen haar. Vrouwen zijn veel realistischer. Die begeren op hun eigen niveau.”
“Freek, je bent gek.”
“Nee, hoor, ik vermijd alleen een mission impossible.”
“Wie is wel jouw league dan?”
“Nou, hij bijvoorbeeld,” zeg ik en wijs op een collega van de coördinatie-halfgod, waar hij nu mee staat te praten.
“Die met dat leren jack?” vraagt Carien.
“Ja, die, ja,” zeg ik.
“Met die leuke gympen?”
“Precies,” zeg ik.
“Die nu met jouw out-of-my-league-man aan het zoenen is, bedoel je?” vraagt ze dan.
Ik kijk ongelovig op. Verdraaid. Het is echt zo.
“Lijkt erop dat ze toch echt in dezelfde league zitten, Freek,” lacht ze me heel hard uit, “maar inderdaad niet snel in de jouwe wippen.”


maandag 14 november 2011

Gedoemd

Ik heb Natasha beloofd mee te gaan shoppen voor een galajurk. Haar schoonouders zijn binnenkort veertig jaar getrouwd en daar hoort een sjiek feest bij. Inmiddels zijn we gewend dat alles in de familie van Erick met stijl en elegantie wordt aangepakt en Natasha houdt ervan daartegen te rebelleren, maar deze keer is ze van plan haar gebruikelijke jeans en gympen in te ruilen voor een strapless jurk met killer heels. Dat heeft wellicht te maken met de toestand bij Barbara en Thomas thuis; ze wil haar sexy kant weer eens belichten. We hebben afgesproken dat ik haar ophaal bij het buurthuis in haar wijk. Daar doet ze vrijwilligerswerk. Eens per maand gaat ze met een groep geestelijk gehandicapte kinderen op zaterdagmorgen iets leuks doen.

Als ik aankom, zie ik door het raam dat ze in het afsluitende kringgesprek zitten. Natas wenkt me naar binnen. Ik steek mijn hoofd om de deur. Zes hoofden draaien zich nieuwsgierig om.

“Kom er even bij zitten, Frederique,” nodigt Natas me uit.
“Hoe heet zij?” vraagt een meisje met een hoge paardenstaart.
“Zij heet Frederique,” zegt Natas, “en ze komt mij ophalen.”
“Waar is jouw man dan?” vraagt het meisje door.
“Die is thuis, met kleine Kasper,” legt Natas uit.
“En waar is jouw man?” vraagt een jongen met een kuif en kuiltjes in zijn wangen. Aan mij.

“Eh, dat weet ik niet,” zeg ik en kijk Natas aan, maar die laat mij lekker aan mijn lot over.
“Is hij dood?” vraagt het paardenstaartmeisje.
“Nee, hoor,” lach ik.
“Waar is hij dan?” dringt de kuifjongen aan.
“Dat weet ik niet,” zeg ik.
“Dan moet je hem gaan zoeken!” zegt hij opgetogen.
“Vind je?” vraag ik lachend.
“Ja, joh, hoe heet hij?” vraagt het paardenstaartmeisje. De rest van de klas is nu ook alert; alsof ze zodadelijk eigenhandig de zoektocht gaan starten.
“Eh, dat weet ik niet,” zeg ik verontschuldigend.
“En waar woont hij dan?” vraagt de kuifjongen.
“Dat weet ik ook niet,” zeg ik.
De jongen en het meisje kijken elkaar even aan. Hij zucht, zij slikt. De klas en ik wachten af.
Dan zegt hij vastberaden: “Nou, die ga je nooit vinden.”

Die avond zijn we een galajurk en een actieplan rijker. Ik hoef alleen nog maar een naam en een woonplaats te hebben. Dan gaat er volgende maand op zaterdagochtend een fanatiek searchteam voor me op pad.


maandag 7 november 2011

Herfststukje

“Weet je zeker dat hij ‘morgen’ zei?” vraagt Barbara.
Ik knik en neem nog een bitterbal.
“Niet ‘volgende week’ bijvoorbeeld?” probeert ze het nog een keer.
“Nee, niet volgende week. Hij zei ‘ik bel je morgen’.”

Barbara kijkt geïrriteerd. Ik weet niet of ze baalt van mij of van haar collega Stef. Bar vond ons wel een match, dus gingen we wat drinken en kreeg ik zijn nummer. Toen ik hem een paar dagen later belde, trof ik hem op een ongelukkig moment. Kan gebeuren. Hij zei dat hij me morgen terug zou bellen. Dat is nu een week geleden.

“Heeft hij je nummer eigenlijk wel?” vraagt Barbara. Ze klinkt een beetje boos.
“Nou, dat lijkt me wel. Ik belde met mijn mobiel de zijne.”
“Misschien heeft zijn telefoon het niet opgeslagen?” oppert ze. Zou ze zelf doorhebben hoe absurd ze klinkt? Zometeen vindt ze nog dat ik niet duidelijk ben geweest.
“Anders heeft hij mijn sms’je nog, hoor,” stel ik haar gerust.
“Wanneer heb je hem gesmst?” wil ze weten. Blijkbaar had ik dat nooit mogen doen.
“Gewoon, na dat belletje dat niet uit kwam,” verdedig ik mezelf.
“Jezus, Freek,” zegt ze en ik heb geen idee wat ze daarmee bedoelt.

Ik moet denken aan dat aloude gezegde: als je geschoren wordt, kun je maar beter stil blijven zitten. Ik weet niet waarom Bar aan het scheren is geslagen, maar wel dat ik geen zin heb in ongelukken.

“Mannen zijn eikels,” zegt ze vervolgens. Dat kan in elk geval niet mijn schuld zijn.
“Het is herfst,” grap ik, verlangend naar een beetje luchtigheid.
“Huh?” zegt Bar.
“Herfst, je weet wel, overal eikels,” leg ik uit.

Ze kijkt me aan, haar mondhoeken krullen op en ze begint onbedaarlijk te lachen. Een waterval aan gelach, geknor en gehik komt me tegemoet. Ze houdt haar buik vast, giert het uit, vouwt zich dubbel en gaat dan naadloos over in een enorme huilbui. Haar traanbuizen pompen al het overtollige verdriet in waterlinies haar wangen op. Ik weet alles over horken die maar één ding willen, over pannenkoeken die nooit meer bellen, over losers die alleen over zichzelf praten en sukkels met teleurstellende teksten. Maar ik weet niks over het soort eikel dat zich na tien jaar huwelijk ineens openbaart. Ik ga naast Bar zitten en geef haar een zakdoek. Gelukkig kan ik uitstekend knuffelen.


dinsdag 1 november 2011

Eeuwige trouw

“Sandra werkt hier niet meer,” zegt het huppelkutje aan de andere kant van de telefoon. Ik ben even uit het veld geslagen. Ik bel gewoon voor een afspraak bij mijn vaste kapper. Al twee jaar doet ze wonderen met mijn slappe piekhaar. En nu werkt ze er niet meer???? Nou ja, maakt ook eigenlijk niet uit.
      “Waar werkt ze nu dan?” vraag ik, hopend dat ik niet naar Maastricht of Londen hoef, maar anders maak ik daar wel een gezellig weekend van. Vanaf Buenos Aires ga ik overwegen Sandra op te geven. Dan hoop ik dat haar tot op de grond binnenkort mode wordt.
      “Ik weet niet waar ze nu werkt,” zegt het huppelkutje. En daar blijft ze bij. Ik hang furieus op. Maar maak de volgende dag toch maar een afspraak. Voor een wasbeurt met hoofdmassage. En jawel, mijn missie slaagt! Het shampoomeisje stinkt erin en vertelt me dat Sandra dichter bij huis is gaan werken nu ze in Vleuten woont. Hoera! Vleuten is nog geen half uur rijden. De haarmode kan doen wat ‘ie wil, ik ga Sandra zoeken.

Vleuten is een plaatsje van niks, dus wat kan me gebeuren, maar als ik de telefoongids open, blijken er maar liefst vijftien kapsalons. Niet gelogen. Vijftien. Ik begin bovenaan.  

“Hallo, ik zoek mijn kapster uit Utrecht; heeft u Sandra toevallig net nieuw?”

Ze vinden mijn zoektocht wel grappig en nummer 7 op mijn lijst is een schatje: “Nou, meid, 9 en 11 kun je overslaan, dat zijn eenmanszaakjes.” Bij nummer 12 word ik moedeloos van mijn eigen verhaal. Misschien heb ik het verkeerd begrepen. Of hebben ze me op het verkeerde been gezet. Toch bel ik nummer 14, kapsalon Incognito. Daar zegt de vrouw aan de telefoon kordaat: “Wacht, ik geef je haar zelf even.” Ik zucht, lach naar mezelf in de spiegel en steek een duim op naar mijn uitgroei. Ik maak een afspraak en laat Sandra plechtig beloven dat je ze me nooit meer aan de huppelkutjes overlevert.